Fotoreportage

De Twentse Sagen

Het magazine Twentelife gaf mij de gelegenheid om een fotoreportage te maken over een onderwerp dat ik al een aantal jaren in gedachten had; de Twentse sagen. Hieronder lees en bekijk je er alles over!

Eigenlijk is mijn enthousiasme voor de fotografie aangewakkerd door de schoonheid van mijn directe omgeving; het Twentse land.  Deze cultuurhistorisch rijke regio is in mijn beleving altijd nauw verbonden geweest met een vleugje mystiek. Zo ontstond het idee om de plekken waar ik vaak met camera te vinden ben te gebruiken als setting voor de verhalen die zo onlosmakelijk zijn verbonden met de regionale cultuur: De Twentse sagen.  

1. De Witte Wieven

Dit is waarschijnlijk de meest bekende van alle Twentse sagen, maar tegelijkertijd ook niet uitsluitend ‘Twents’. De sage van de witte wieven wordt namelijk in nagenoeg alle Saksische gebieden van Nederland gedragen en er gaan per plaats en/of streek verschillende variaties over deze mysterieuze vrouwelijke gedaanten de ronde. Witte wieven staan tegenwoordig vaak synoniem voor laaghangende nevel die zich ’s ochtends vroeg of ’s avonds vlak na zonsondergang boven het land ontwikkelen, wat een mysterieus aanzicht oplevert. Echter hebben witte wieven van oudsher een veel diepere en spirituele betekenis. Zo geloofde de mensen in de Saksische gebieden in de verschijning van een vrouwelijke gedaante die gelijkenissen vertoonde met die van een elf , maar ook met die van een heks of een spook.

DSCF2623-Pano

Één van de vele verhalen over deze folkloristische figuren komt uit Lonneker:

“Een meisje werd door witte wieven gevangen gehouden op de Lonnekerberg. Ze waren boosaardig. Het kind moest hard werken en zag geen licht van de zon en maan. Eens stuurden de witte wieven haar naar Oldenzaal, maar ze mocht aan geen mens verraden waar ze woonde. Bij de Dikke Steen voor de Plechelmusbasiliek (de steen die uit de IJstijd dateert en van de Tankenberg naar de stad was versleept) vertelde ze haar nood. Veel mensen hadden het gehoord, ze volgden haar naar de Lonnekerberg en joegen de witte wieven uit hun schuilplaats op. Sindsdien zijn de witte wieven van de Lonnekerberg verdwenen.” 

2. Huttenkloas

Huttenkloas is door zijn arrestatie, proces en executie de meest beruchte misdadiger ven Twente geworden. Klaas Annink werd in 1710 geboren op landgoed De Haar in Bentelo en verdiende de kost als dagloner bij boeren. Hoogstwaarschijnlijk kwam hij aan zijn bijnaam doordat hij een tijdje op erve Coenderink bij Hengevelde in een hut heeft gewoond. Hij trouwde in 1734 met Aarne Spanjer en samen kregen ze vijf kinderen waarvan er twee kort na de geboorte overleden. Doordat het gezin Annink het verre van breed had, lonkte al snel het dievenpad. Samen met zijn zoon Jannes pleegde Klaas vooral kleine diefstallen zoals hout en voedsel om te kunnen blijven voorzien in de eerste levensbehoeften. Het duurde niet lang voordat deze relatief kleine vergrijpen uitgroeiden tot ernstigere zaken en Huttenkloas in heel Twente berucht was geworden. De eerste moord vond plaats in 1774. Bij het gezin Annink woonde een halve neef van Klaas in, bekend onder de naam Poppen Harmen. Harmen had de pech dat hij op de hoogte was van de diefstallen die Klaas en Jannes op hun kerfstok hadden. Uit vrees dat Harmen ze zou verlinken, besloten Klaas en Jannes Harmen voor eeuwig het zwijgen op te leggen. Op een avond bonden de twee Harmen vast aan een stoel en sloegen hem met een bijl in twee klappen dood. Harmen werd ontdaan van zijn kleding, die ze goed konden gebruiken en werd begraven in een kuil achter op hun land.

In Maart 1775 werd de tweede moord gepleegd. De marskramer Willem Stint uit Werelte (Münsterland) kwam een paar keer per jaar langs en logeerde tijdens zijn doortocht wel eens bij Annink op het erf. Deze keer had hij goede zaken gedaan en moest hij dus wel veel geld op zak hebben. Aarne had een een boterham voor Willem gesmeerd, maar zodra Klaas en Jannes thuiskwamen ging Aarne naar buiten om de wacht te houden. Intussen werd Willem door Klaas en Jannes vermoord met een bijl. De buit omvatte vijftig gulden en de kleding van Willem. De vader van Willem ging op onderzoek uit toen Willem na een aantal dagen nog steeds niet thuis was gekomen. Hij kende de route van zijn zoon en kwam zo bij het erf van Huttenkloas waar hij Klaas zag lopen in kleding van Willem. De vader van Willem stapte naar de rechter in Delden en zo werden Klaas en Jannes, en later ook Aarne en jongste zoon Gerrit in hechtenis genomen.

De Anninks werden in opgesloten in de kelder van het stadhuis van Oldenzaal, in afwachting van het proces. Naar verluid moest Klaas zijn tijd in hechtenis vastgebonden doorbrengen op de stoel van Huttenklaos, die te zien is in museum het Palthehuis. De gezinsleden probeerden elkaar tijdens hun verhoor elkaar de schuld in de schoenen te schuiven, maar tijdens een marteling op de pijnbank biechtte Aarne uiteindelijk de waarheid op.

De rechter legden Klaas, Jannes en Aarne allen de zwaarst mogelijke straf op: de doodstraf. Zoon Gerrit werd op een schip onder toezicht naar Oost-Indië verbannen. De executie werd uitgevoerd, precies zoals deze in het vonnis omschreven stond. Allereerst werd Aarne gewurgd aan de wurgpaal. Klaas en Jannes hadden minder geluk. Ze werden op de grond op een paar balken gelegd waarna de beul met een rad of wiel op het lichaam begon te beuken, beginnend bij de benen, zodat alle botten werden gebroken. Tenslotte werden met dezelfde bijl waarmee de beide moorden waren gepleegd de hoofden van de twee ingeslagen. Met een touw om de nek werden de lijken naar een rad gesleept waaraan ze werden vastgebonden en geruime tijd werden tentoongesteld alvorens ze op het galgenveld van Oldenzaal werden begraven.

3. De Non van Singraven

De sage van de Non van Singraven speelt zich af aan de begin van de 16e eeuw op landgoed Singraven, bij Denekamp. Naar verluid fungeerde het kasteel rond die periode 10 jaar lang als klooster en werd het bewoond door nonnen. Één van de nonnen maakte het dikwijls echter vaak net iets te gezellig en vermaakte zich zoals het verhaal vertelt met de lokale dorpelingen in de nabije gelegen kroeg. Toen de andere nonnen hier lucht van kregen, betichtten zij haar van onkuis gedrag en werd de non gestraft door de Moeder-Overste. Ondanks het feit dat voor een vergelijkbaar vergrijp een gevangenisstraf de zwaarst mogelijke straf was, werd met een schijnproces het vonnis tot dood door inmetseling opgelegd. Zo geschiedde. In een muur van het kasteel werd de non ingemetseld. Het afgrijselijke gekrijs en gehuil van de ingemetselde non was dagenlang te horen, totdat het op een zekere dag stil werd. Maar het werd nooit meer stil. ’s Nachts zijn er tot vandaag de dag nog steeds geluiden te horen die verband lijken te hebben met de ingemetselde non. Ook nu nog wordt er af en toe nog melding gemaakt van een verschijning van een gedaante die gelijkenissen toont met de terechtgestelde non en zou ze ongeluk brengen aan de bewoners van het kasteel. Dat dit niet uit de lucht is gegrepen blijkt wel uit het ongelukkige voorval uit 1878, toen toenmalige bewoner Hendrik Jan Roessink Udink na het diner een sigaar wilde opsteken. Echter struikelde hij over een olielamp en vatte hij vlam. Al brandend hebben medebewoners hem in de Dinkel gegooid, maar tevergeefs; De volgende dag overleed Roessink Udink toen hij in het ziekenhuis bezweek aan zijn verwondingen.